De hechtingstheorie-1

 

De hechtingstheorie-1

De hechtingstheorie beschrijft en verklaart terugkerende relatiepatronen en overlapt in aanzienlijke mate de inter-persoonlijke theorie.

De hechtingstheorie is een visie op de ontwikkelingspsychologie.

De psychiater/psychoanalyticus John Bowlby (1909-1990) staat bekend als de grondlegger van deze theorie.

Volgens hem hebben kinderen het nodig om te ervaren dat hun belangrijkste verzorgers aandacht en zorg voor hen hebben en op de juiste wijze reageren op hun signalen. Ze ervaren daardoor veiligheid die hun een basis geeft om levenslustig, initiatiefrijk en sociaal in het leven te kunnen staan.

Bowlby beschreef drie hechtingsstijlen als uitkomst van ervaringen in de kindertijd.

De zekere hechtingsstijl (gebaseerd op ervaringen van veilige verbondenheid),

  1. Angstig-ambivalente gehechtheid (gebaseerd op verlatingsangst)
  2. Angstig-vermijdende gehechtheid (gebaseerd op bevroren verlatingsangst en hopeloosheid).
  3. Gedesorganiseerde gehechtheid. die voortkomt uit ernstige traumatisering in het eerste levensjaar of uit onvoorspelbaarheid van de kernverzorger

Dissociatieve stoornissen komen het meest voor bij deze laatste stijl.

De veilige/zekere hechting vormt de basis voor een goede verdere sociale ontwikkeling. Het wereldbeeld van deze personen is er een van veiligheid en vertrouwen. Op basis hiervan kunnen zij zich gemakkelijker met anderen identificeren of met anderen meevoelen (empathie). Ook andere sociale vaardigheden worden gemakkelijker opgebouwd op basis van de veiligheid die vroege ervaringen van verbondenheid bieden. Dit leidt er uiteindelijk toe dat mensen die zelf als kind een goede hechting hebben ervaren, later ook hun kinderen vaak een goede hechting kunnen bieden: een beschermende factor.

Hechting en prikkeling

Vanuit de hechtingstheorie wordt gesteld dat er sprake moet zijn van een

optimaal prikkelniveau, om het proces van metalliseren tot een goed einde te brengen. Te heftige prikkels (trauma’s) of te weinig (bij voorbeeld depressie van een van de verzorgers) kan leiden tot stilstand, of zelfs terugdraaien van het mentaliseringsproces. Dat is natuurlijk ook niet zo vreemd. Wanneer sprake is van overprikkeling, en dus van een onveilige hechting, dan zal het kind zich in de onveilige omgeving gerepresenteerd zien, met angst en frustratie als gevolg. Het uiteindelijke resultaat zal veelal leiden tot terugtrekking en zelfdepreciatie.

Bij volwassenen zien we hechtingsproblematiek onder andere terugkomen in persoonlijkheidskenmerken. In verergerde zin spreken we van persoonlijkheidsstoornissen.

Zie hiervoor de D.S.M.5

We kunnen verschillende karaktertrekken die tot problemen leiden, mede begrijpen vanuit de voorgeschiedenis van een persoon. Tot in hoeverre is er sprake is geweest van een veilige hechting? De basishouding die is ontstaan kan ‘gehechtheidstijl’ genoemd worden ( van John Bowlby)

De drie gehechtheidstijlen van Bowllby, welk zich kunnen ontwikkelen bij onveilige hechting kunnen tot problemen leiden onder invloed van stressoren.

Hiervan kan sprake zijn bij verschillende life-events, zoals het aangaan van een intieme relatie, het krijgen van kinderen, het belanden van de kinderen in het losmakingproces en het uit huis gaan, Stress factoren in de arbeidssfeer maar ook het beëindigen van het arbeidsproces.. Verschillende psychische problemen kunnen hiermee samenhangen, zoals stemmingsproblematiek, angstproblematiek en partnerrelatieproblematiek.

Gedragspatronen die hierdoor ontstaan kunnen in gehechtheidstijlen worden samengevat.

Bowlby heeft drie gehechtheidstijlen gecategoriseerd.

  1. Angstig-ambivalente gehechtheid (gepreoccupeerde gehechtheid): dit is ontstaan in de kindertijd wanneer de hechtingsfiguur wissend beschikbaar was. Er werd onvoldoende zekerheid en vertrouwen geboden waardoor het kind zich als mens geliefd en beschermd voelde. Het hechtingssysteem werd hierdoor als het ware over geactiveerd.

Bij een kind wordt dit zichtbaar zoals het zich angstig vastklampt, de ander achtervolgt en/of op een agressieve manier om aandacht vraagt.

In de volwassenheid zien we deze patronen ook. Deze mensen kunnen slecht omgaan met (negatieve) emoties. Ze lijken zich in intieme relatie snel afgewezen te voelen. Er lijkt een voortdurende waarborg te moeten zijn voor troost en zorg. Er is angst voor verlating waardoor ze zich aan hun partner vastklampen. Ze kunnen achterdochtig zijn, moeite hebben om de ander vrij te laten (ook hun eventuele kinderen) en interpreteren afstand nemen als afwijzing. Vanwege die onzekerheid willen ze de ander steeds

controleren. Het is alsof ze geen eigen benen hebben om op te staan. Ze

menen zonder de ander niets te zijn.

  1. Angstig-vermijdende gehechtheid (gereserveerde gehechtheid): dit ontstaat als het kind de hoop op respons heeft opgegeven en duidelijk is geworden dat het alleen op zichzelf kan rekenen. De hechtingsfiguren (veelal de ouders) waren weinig beschikbaar. Ze negeerden de emoties van het kind of deden dit af als aanstellerij.

Het kind heeft geleerd om zich terug te trekken en contact te vermijden om het (aangeboren) hechtingssysteem te deactiveren en hechtingsbehoeften te onderdrukken.

Het heeft zichzelf geleerd dat uitingen van emotionele afhankelijkheid en pijn beter niet gedaan kunnen worden om zichzelf tegen de pijn van de onbereikbare hechtingsfiguren te beschermen. Daardoor hebben ze geleerd zich flink te gedragen.

Autonomie en zelfredzaamheid heeft reeds vroeg de overhand genomen ten koste van de hechting.

In de volwassenheid zien we deze gehechtheidstijl als volgt terug. De vermijdend gehechte mens gedraagt zich graag autonoom. Hij rekent niet op de ander maar richt zich op het werk.

Het kernconflict is angst voor emotionele afhankelijkheid en nabijheid. Je moet vooral op jezelf vertrouwen want hulp van anderen is niet vanzelfsprekend. Dit ‘zelf doen’ houdt ook veel ‘alleen zijn’ in.

Deze stijl wordt als superieur beleefd waardoor men zelfstandigheid en zelfredzaamheid als het enig juiste zien. Ze zullen daarom de ander niet snel bij hun problemen betrekken en een hulpvraag van de partner ook moeilijk verdragen. (Ze zullen uit zichzelf niet snel naar

een therapeut gaan.) Er is als het ware een overregulatie van gevoelens ontstaan, waardoor zowel negatieve als positieve gevoelens geremd worden.

  1. Gedesorganiseerde gehechtheid (onopgeloste gehechtheid): in de interactie tussen verzorgers en kind is aanklampen (angstig-ambivalent) noch vermijden (angstigvermijdend) effectief gebleken om zich veilig te voelen. De hechtingspersonen zijn tegelijkertijd de oorzaak van de angst maar ook de enige bron van troost, waardoor het kind niet meer weet waar het aan toe is. De verzorgers zijn onvoorspelbaar geweest in het uiten van aandacht en agressie, vaak gepaard gaande met verwaarlozing. Deze kinderen zijn niet in staat geweest een eenduidig innerlijk werkmodel te ontwikkelen,

maar blijven innerlijke representaties houden van hulpeloosheid aan de ene kant en vijandigheid aan de andere (Nicolai, 2001). Uit onderzoek blijkt dat deze gehechtheidstijl een duidelijk verband heeft met latere psychopathologie, zoals borderline persoonlijkheidsproblematiek en dissociatieve stoornissen.

Het kind heeft niet alleen geleerd dat anderen niet beschikbaar zijn, maar ook dat het zelf niet bij machte is zijn heftige emoties te reguleren. Het vertoont kenmerken van beide bovenbeschreven gehechtheidstijlen.

In de volwassenheid zien we deze patronen terug in b.v. de boodschap: “kom dichtbij want ik heb je nodig, maar ga weg want ik stik.” De verlangde nabijheid maakt ook weer angstig en moet tenietgedaan worden. Dit dilemma is onoplosbaar wat destructief werkt in intieme relaties. Emoties kunnen niet gereguleerd worden, met geweld tot gevolg. Wanhoop en woede wisselen zich in snel tempo af.

Therapie bij hechtingsproblematiek.

Onveilig gehechte mensen melden zich voor therapie vaak aan omdat ze somber en angstig zijn en moeite hebben relaties aan te gaan of te onderhouden. Vaak zijn zij wel in staat goed voor anderen te zorgen, maar zij slaan hun eigen grenzen en behoeften in de wind. Dat leidt vaak tot een ernstig overbelast voelen.

In therapie zal in eerste instantie de nadruk liggen op het aangaan en onderhouden van een goede (= veilige) samenwerkingsrelatie tussen patiënt en therapeut. Daarnaast zal de patiënt leren naar zichzelf te leren luisteren en dat te doen wat goed is voor zichzelf, zichzelf leren begrenzen en op een veilige manier nieuwe relaties leren aangaan. Om dit proces te doen slagen is er veelal sprake van langlopende therapieën.

Ook blijkt schematherapie (ontwikkeld door Young) een bruikbare therapie te zijn. Schematherapie is een integratieve psychotherapie voor mensen met persoonlijkheidsproblematiek. Het is een integratie van theorie en technieken uit de cognitieve gedragstherapie, de inter-persoonlijke psychotherapie, de Gestalttherapie, de psychodynamische therapie en hechtingstheorie.

Niemandskinderen

Niemandskinderen zijn niet van hun ouders, omdat hun ouders niet liefdevol

waren;

ze zijn niet van zichzelf, omdat ze ook niet van zichzelf kunnen houden;

ze zijn niet van hun omgeving, wanneer die omgeving niets doet en ingrijpt;

ze zijn niet van de hulpverlening, wanneer ze daar niet terechtkomen of wanneer de hulpverlening faalt;

ze zijn later niet van hun partners, wanneer ze zich niet kunnen binden;

en zijn niet van de eventuele kinderen die worden geboren, wanneer ze – in het

ergste geval – ook niet van hun eigen kinderen kunnen houden.

Carolien Roodvoets psychotherapeute.

Literatuur:

Psychiatrie, disbalans in de samenhang van de wezendelen Erik Beemster

Verklaringsmodellen voor de ontwikkeling van individu tot persoon Oei, T.I.

Hier ben ik, existentiële angst in relatie tot hechtingsproblematiek, Ellie Keizer

Geplaatst in Algemeen, Angsten & Paniek, Depressie, Relatieproblemen

Geef een reactie